Mieke vertelt

FiliaeBlogMieke vertelt
Mieke

De Luwte

Ik zoek naar relativerende gedachten, naar een plek om te schuilen, maar begin nu toch te foeteren. ‘Wat een rotweer!’.

Dinsdagochtend. Na een zorgvuldige check op buienradar strik ik vol goede moed mijn hardloopschoenen voor een rondje om het dorp. Er staat een flinke wind, maar ach, een beetje tegenwind is soms goed voor een mens. Ik ben niet de enige die het erop waagt en kom een vrouw tegen die me vriendelijk toeknikt. Niet veel later vallen de eerste druppels. Blijkbaar klopte buienradar toch niet helemaal. Maar ik denk aan psalm 84, over de milde regen die mij overdekt, verkwikt en mij tot zegen strekt, en loop goedsmoeds verder. Iets verderop knikt een andere voorbijganger me bemoedigend toe, met een blik van ‘bikkeltje hoor’. Ik groet haar vriendelijk en krijg tegelijk een wat onheilspellend voorgevoel. Op het paadje richting het bos breekt het los. Een felle hagelbui striemt in mijn gezicht, op mijn lijf.

Ik zoek naar relativerende gedachten, naar een plek om te schuilen, maar begin nu toch te foeteren. ‘Wat een rotweer!’. Nergens een schuilplek in de buurt, ik moet er dwars doorheen, door weer en wind, geen ontkomen aan. Tanden op elkaar en doorgaan. De gedachte ‘schelden op het weer, is schelden op de Heer’ dringt zich aan mij op. Ik denk aan de stormen, de tegenwinden, soms de hagelbuien in mijn leven. Ook zo actueel nu in het leven van lieve mensen om mij heen, waarbij ik meelijd. Mensen die geliefden verliezen, te kampen hebben met langdurige ziekte. Geen verkwikkende regenbuien, nee striemende hagelbuien, die soms jonge mooie bloemen verwoesten, je diep raken tot op het bot. En ik vraag me dan af: Hoe zit dat dan God, waarom overkomt de één dit en de ander dat? En heeft Hij dan wel echt alles in Zijn hand?

Ik loop vast in mijn gedachten. Ik weet dat er verderop een bankje staat, omringd door bomen. Nog even de pas erin, en dan ben ik er. Ik voel me opgelucht en dankbaar voor de beschutting die het me biedt. De zon schijnt nog steeds niet, het hagelt en waait nog hevig, maar ik voel me rustig en veilig.

Is het zo ook niet in het leven? Dat je blij mag zijn met elke dag dat er een zonnestraaltje doorbreekt in je leven? Dat in een koude en gebroken wereld er warmte en beschutting is te vinden bij God en lieve mensen. Ik houd me daar maar aan vast, dat er altijd een plekje is om te schuilen, ook al moet je door de hagelbuien heen, ook al zie je het niet. Wat kun je dan blij zijn met zo’n bankje, omringd door bomen, die je beschutting geven tegen weer en wind.

Ik ga even zitten en zie door de wolken een waterig zonnetje. Ooit, ooit breekt de zon weer door. Eerst voor even, maar later voor altijd.

Psalm 103
Gelijk het gras is ons kortstondig leven,
Gelijk een bloem, die op het veld verheven,
Wel sierlijk pronkt, maar kracht'loos is en teêr;
Wanneer de wind zich over 't land laat horen,
Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren;
Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.

Maar 's HEEREN gunst zal over die Hem vrezen,
In eeuwigheid altoos dezelfde wezen;
Zijn trouw rust zelfs op 't late nageslacht,
Dat zijn verbond niet trouweloos wil schenden,
Noch van Zijn wet afkerig d' oren wenden,
Maar die, naar eis van Gods verbond, betracht.

Comments are closed.